Kijk omhoog als een toerist…

Ik bekijk de stad door hun ogen en zie veel meer dan normaal. © Mike Ottink

Wat maakt blij of irriteert in Amsterdam?

DOOR: REMCO DE RIDDER 29 JULI 2016
Het is makkelijk om dingen voor lief te nemen. Gewenning ligt bij elke herhaalde handeling op de loer als een constant stromend beekje dat gesteente uitslijt, de bedding daarbij steeds verleggend, totdat je ongemerkt tot aan je middel in het water staat en de oever uit zicht is geraakt.

“Dit moeten we gedaan hebben!” gilt een kort, pittig, middelbaar vrouwke met een Oost-Nederlandse tongval. “Ik ben hier nog nooit geweest!” zegt een van haar drie net iets donkerder gecoupesoleilde metgezellen. De fietsen waarop ze rijden zien er precies hetzelfde uit.

Vondelpark
Al drie jaar fiets ik dagelijks door het Vondelpark naar en van mijn werk, me regelmatig ergerend aan de hardholmensen die er een amateurparcours van hebben gemaakt en de toeristen die zigzaggend op zoek zijn naar de perfecte selfie.

Maar vaak ook verveel ik me ­tijdens de rit, omdat ik die elke dag fiets, me niet realiserend dat ‘Het Vondelpark’ een (inter)nationaal icoon is. Het Central Park van Nederland. Een ‘dit-moet-je-gedaan-hebben’-etje.

Als er vrienden overkomen uit het buitenland doen we dingen die veel andere toeristen ook doen. Ze huren fietsen en ik leid ze rond. Ik laat ze de landmarks zien, maar breng ze ook naar hidden gems die je niet in de Lonely Planet of op petten en T-shirts leest. Wat ik dan doe, ­samen met de buitenstaanders, is naar boven kijken.
Ik bekijk de stad door hun ogen en zie veel meer dan normaal. Ik zie gevelversieringen die niet zouden misstaan in een museum voor bouwkunst. Ik zie hoe er over de vorm, kleur en positionering van brugleuningen is nagedacht.

Die kleur groen zie ik terug op de ouderwetse straatlantaarns en ronde plasbakken. Zelfs die plasbakken zijn niet lui ontworpen. Ze vormen een esthetisch geheel, zijn weloverwogen en bovendien nuttig. Net als de bankjes en vuilnisbakken, veelal in dezelfde rustgevende bosgroene uitvoering.

Openluchtmuseum
Het centrum is één groot openluchtmuseum. “It just goes on and on,” zei een Franse vriend toen om elke hoek meer van dezelfde architectonische pracht te zien was. Ik knikte oui: het gaat inderdaad maar door. Dat zie je niet in Londen, niet in Parijs, zelfs niet in Rome, waar de klassieke oudheid je soms naar adem doet happen. De consistentie in stijl en schoonheid, terwijl geen enkel gebouw hetzelfde is, vind je nergens anders. Een urbaan kunstwerk.

Later op de pont naar Noord vergaapte hij zich aan de grensverleggende nieuwbouw aan de oevers van het IJ.

‘This used to be a swamp.’
‘The city is built on poles.’
‘We’re below sea level.’
‘Yes, those are prostitutes.’
‘Yes, you can smoke that.’

Dat ik de Franse vriend ’s nachts van het Spui af moest rollen omdat hij iets te grote slokken en diepe trekjes had genomen, hoort ook bij deze stad. De blik is dan gericht op straatklinkers en kinderkopjes, in plaats van omhoog.

Maar de volgende dag, zittend op een bankje, uitkijkend over de grachten, als halvegaren terugzwaaiend naar bootjes, ging het wel weer.

Later op de pont naar Noord vergaapte hij zich aan de grensverleggende nieuwbouw aan de oevers van het IJ: het Muziekgebouw, IJdock, de NDSM-werf, die langzaam maar zeker door de kunstzinnige bovenklasse wordt weggekaapt van de semilegale onderstroom.

Negen van de tien balkons in de straat in Bos en Lommer waar ik dertien jaar geleden kwam wonen hadden een schotelantenne, nu zijn ze allemaal weg. De stad is in beweging en onderhevig aan gentrificatie, maar de schoonheid van details blijft intact.

Doe het eens: loop door de Jordaan, langs de grachten, door Berlages Zuid of via de Mauritskade naar de Linnaeusstraat en kijk omhoog, als een toerist. Doe het alleen niet zigzaggend over de weg.